Het gegeven paard in de mond kijken

De afgelopen maanden heb ik me met diverse organisaties over vraagstukken rond ‘participatie’ mogen buigen. Daarbij is het gezegde dat mijn ouders me bijbrachten meerdere keren door mijn hoofd geschoten: “Je moet een gegeven paard niet in de mond kijken”. We leerden het misschien allemaal op die manier: je moet niet kritisch zijn op wat je in de schoot geworpen krijgt. Dat is onbeleefd en ondankbaar. Maar aan de andere kant gaat het bij goede doelen niet om een cadeautje voor jezelf, maar voor het algemeen belang. Moet je misschien niet juist ‘keuren’ wat de kwaliteit van gedoneerd geld, tijd of talent is? Mag je als charitatieve instelling het gegeven paard nu wel of niet in de mond kijken?

Laten we maar beginnen bij het makkelijkste gedeelte. Als je als fonds een significante bijdrage zou kunnen krijgen, maar deze is afkomstig van een partij die het duidelijk meer voor zichzelf doet (om er haar marketing mee te voeden en reputatie op te poetsen), dan vanuit verbondenheid met het doel van de fondsenwerver. Shell die Greenpeace steunt. Onwaarschijnlijk, maar toch. De vleesindustrie die een zichtbaar signaal wil geven en Wakker Dier gaat ondersteunen. Of subtieler: een medicijnfabrikant die een hulporganisatie in Afrika ondersteunt. Dat roept al snel aarzeling op. Ik bemerkte het ook toen ik laatst voor een zaal ‘duurzame ondernemers’ stond en zei ik dat ze iets meer van marketing moesten gaan houden. Waarom zou het helder, relevant en onderscheidend communiceren alleen voorbehouden zijn aan bedrijven die meer potten pindakaas willen verkopen? Zouden de geëngageerde ondernemers in de zaal niet met slimme allianties en sponsorschappen meer impact kunnen organiseren? Echt duurzaam onderscheidend voordeel? Maar het gevoel in de zaal was helder: “marketing is voor bedrijven die willen greenwashen. Veel groene praatjes, weinig duurzaam gedrag!”. En zo kiezen veel goede doelen er ongetwijfeld ook voor om hun principes te volgen en de kansen, die een donatie van een ‘twijfelachtige vriend’ zou kunnen opleveren, te negeren. Zoals Thatcher het ooit zei: We shall stand on principle, or we shall not stand at all.” Dat krachtige geluid luidde de escalatie van de Falkland oorlog in, trouwens.

Een moeilijker besluit is hoe te kijken naar de kwaliteit van gedoneerde tijd. Vrijwilligers, dus. Mensen die met hart en ziel zich willen inzetten voor jouw doel, maar misschien niet de kwaliteit, tijd of het talent hebben om ingezet te worden op de plek waar zij zichzelf zien. Of mensen die wel het talent en de kwaliteit hebben, maar veel minder binding met jouw doel dan je misschien zou willen. Dat laatste leidde er bijvoorbeeld bij het Leger des Heils toe om van vrijwilligers weer echt te vragen om ook een ‘positief christelijke levensovertuiging’ te hebben. Daarmee sluit men allicht vrijwilligers uit die goed werk hadden kunnen en willen doen, maar men bouwt ook aan hechtere binding binnen de organisatie, die toch vooral een gemeenschap van waarden is. Wat mij betreft een heldere keus, maar hij wordt natuurlijk lastiger als een ‘exclusieve overtuiging’ in zou gaan tegen vrijheden die we heel normaal vinden in Nederland, zoals wanneer vrouwen of bijvoorbeeld homo’s uitgesloten worden van participatie.

Welke eisen mogen we, behoudens misschien een bepaalde overtuiging, eigenlijk stellen aan gedoneerde tijd en moeite? Hier zit menigeen met een knoop in de maag. Want het is nogal wat om die lieve dame die iedere maandag tot en met woensdag de receptie wil bestieren te zeggen dat haar kwaliteiten als gastvrouw aan de balie of telefoniste niet voldoen aan de eisen die u eraan stelt. Toch is het mijn stellige overtuiging dat, zodra iemand zich committeert aan een functie, je niet alleen eisen mag stellen, maar ook moet stellen aan de kwaliteit van de participatie. Dat is niet alleen zo bij het invullen van een (deeltijd)functie, maar ook bij participatie in werkgroepen, of zelfs bij online panels. Als iemand meedoet, dan vraagt het serieuze betrokkenheid die wordt ingevuld door over en weer feedback geven en het beste uit elkaars tijd en geld willen halen. Want wie eisen stelt, moet ook bereid zijn te zorgen dat aan die eisen tegemoet kan worden gekomen. Je moet dus, wat mij betreft, training en begeleiding bieden om de kwaliteit van participatie te verbeteren. Dat heeft niets met ‘kritisch zijn’ en alles met een drive om jouw doel te bereiken, zonder daarbij middelen te verspillen. Dan wil je het beste uit elkaar halen en investeer je dus ook in de ontwikkeling en groei van vrijwilligers. Zo geeft het KWF de leden van de Patienten Adviescommissie (PACO) training in het beoordelen van onderzoeksvoorstellen waaraan KWF al dan niet geld ter beschikking wil stellen. Maar ze is ook kieskeurig als het gaat om de kwaliteit en kennis die zij in de PACO wil hebben. Ongetwijfeld vanuit het volle besef dat met ongekwalificeerde participatie het doel van KWF absoluut niet gediend is. Het gegeven paard mag dus wel degelijk grondig gekeurd en indien nodig ook gericht getraind en frequent geëvalueerd worden, zodat het vóór de juiste kar gespannen kan worden.

Column Rob Beltman in opdracht van IF d.d. 18 mei 2016

http://www.instituutfondsenwerving.nl/nieuwsitems/nieuwsitem/article/lees-maandelijkse-column-rob-beltman/

Auteur(s)

Relevante berichten

Top